Een kleine vriendin van mij, laten we haar Lora noemen, houdt ervan een racebaan voor haarzelf in de woonkamer op te bouwen. Ze rent en springt dan over balansstenen, hindernissen, bruggetjes, wiebelboard en vloerkleedjes met gekleurde vlaktes.
Zij rent zo snel zij kan en telt zelf de seconden: “Eenentwintig, tweeëntwintig…” Zij telt ook graag elk obstakel.
Af en toe springt zij over een van de stenen. Zij maakt er een spel van om op zo min mogelijk hindernissen te stappen. Zij telt op hoe veel obstakels zij minimaal moet stappen om het rondje te halen.
Zij blijft maar rennen en springen totdat zij helemaal buiten adem is en onder de zweet zit.

Waarom vindt zij het zo leuk om seconden en obstakels te tellen?
Mensen tellen graag. Tellen maakt een fijn ritme. Tellen laat je ook zien hoe snel je bent of hoe goed je over obstakels kunt springen. Je bent trots dat het steeds beter lukt en je wilt het steeds beter doen. Voor Lora is dit een competitie met haarzelf, niet met een ander.
Zij weet dat ze haar seconden of aantal obstakels nog kan verbeteren. Het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Het is erg leuk om dingen die te doen, die moeilijk, maar niet onmogelijk zijn, en het steeds beter te doen.
Dit soort concentratie geeft een soort geluksgevoel! Je blijft bezig en je wilt niet ophouden.